| |
Boeken - City of Man's Desire
Gesprek met een schrijfster: Cornelia Golna,
of: De geboorte van een roman
– door Liliana Alexandrescu
Mijn vriendschap met Cornelia Golna begon op dezelfde dag dat we
elkaar, in 1979, leerden kennen. Van de vele keren dat we elkaar hebben
ontmoet, is er een beeld dat me nog altijd helder voor de geest staat. Op
een zonnige zondagmiddag wandelden we door het Vondelpark, hartje
Amsterdam, achter de kinderwagen waarin haar dochter Laura zat. In het
milde zonlicht (was het lente of najaar?) gingen we op een terrasje een
kopje thee drinken. Toen vertelde ze me voor het eerst over haar
grootvader, die om onopgehelderde politieke redenen in 1908 was
vermoord in een bos aan de rand van een stad in Macedonië. Daarna
ontwarde ze voor mij de kluwen van haar familiegeschiedenis, met
personages in vreemde uitmonstering, half Europees, half oosters, met
vuursteengeweren en fezzen, met broederlijke vriendschappen en
onverzettelijke vijanden, met verhalen van liefde en wraak, die zich
afspeelden in geïsoleerde bergdorpen of in het bonte gekrioel van
Constantinopel, de hoofdstad van de lappendeken die het Osmaanse Rijk
was... Nu, jaren later, is haar eigen fascinatie met deze veelzijdige wereld
uitgemond in een - Engelstalige - roman, City of Man's Desire, reden om
over de onstaansgeschiedenis daarvan met haar van gedachten te wisselen.
Liliana Alexandrescu: Het ontstaan van City of Man's Desire was voor mij een
lange en boeiende reis door de 'duizend-en-één-nachten' van het ontstaan van jouw
roman, waarbij jij bent opgetreden als mijn gids en mijn persoonlijke Sherezade...
Cornelia Golna: Ik zou mezelf nooit hebben beschreven als een Sherezade,
en evenmin mijn roman als een verhaal uit Duizend-en-één nacht, hoewel
hij wel enkele fantastische elementen bevat en ergens aan het
bovennatuurlijke raakt. De inspiratie voor mijn roman, City of Man's
Desire, is echter stevig geworteld in de geschiedenis. Van begin af aan is het
mijn ambitie geweest om de wereld waarin mijn vader is geboren weer tot
leven te roepen. Ik ben altijd gefascineerd geweest door de gedachte dat hij
was geboren in het Osmaanse Rijk, een wereld van verschillende godsdiensten en nationaliteiten.
Ja, het lijkt zo lang geleden, maar toch maakt het deel uit van de recente
geschiedenis... minder dan honderd jaar geleden. De gebeurtenissen die toen hebben
plaatsgevonden, spelen zelfs heden ten dagen nog een rol, en niet alleen in het
desbetreffende gebied. In welk deel van het rijk is jouw vader geboren?
Mijn vader is geboren in de Osmaanse provincie Macedonië, waarvan een
deel nu Grieks Macedonië is, een deel in Bulgarije ligt en een deel de
ex-Joegoslavische republiek Macedonië vormt. Tussen haakjes: op het
internet heb ik een site gevonden met een lijst van de mensen die vanaf het
begin van de twintigste eeuw in Amerika zijn geïmmigreerd. Een van hen
was mijn oom - de oudste broer van mijn vader - die als zijn geboorteplaats gaf: Neveska, Turkije. Tegenwoordig ligt dat dorp - dat nu
Nymphaion is geheten - in Griekenland. Het geboortejaar van mijn vader
was 1908. Je weet dat dit ook het jaar was waarin mijn grootvader werd
vermoord in het kader van de 'Strijd om Macedonië', een soort
guerrillaoorlog die de verschillende etnische en religieuze groeperingen
voerden tegen hun Turkse overheersers en tegen elkaar. De dood van mijn
grootvader is altijd in mysterie gehuld gebleven. Mijn vader heeft nooit
weten te achterhalen waarom hij is vermoord en evenmin wie erachter zat,
en ik weet ook het fijne er niet van. Hoewel mijn vader en grootvader niet
echt voorkomen in het boek, zijn zij mijn inspiratiebron geweest om het te
schrijven.
Dit vraaggesprek verschijnt in het Nederlands, jouw roman is geschreven in het
Engels, en wij hebben, vanaf het allereerste moment dat we elkaar hebben leren
kennen, Roemeens met elkaar gesproken. Op die manier hebben we spontaan een
persoonlijk taalkundig terrein geschapen, die een weerspiegeling is van onze
gedeelde herkomst. Hoewel we allebei in Nederland wonen, in een culturele
omgeving die afwijkt van de omgeving waarin we zijn opgegroeid, hebben we een
eigen geschiedenis die regelmatig aan de oppervlakte komt. Hoe sta jij binnen dat
veeltalige mozaïek? Who are you?
Mijn achtergrond komt altijd als iets interessants over op mensen. Of
misschien als iets vreemds. Ik moet zeggen dat ik meer Amerikaanse ben
dan iets anders, omdat ik in de Verenigde Staten ben opgegroeid. Maar
binnen in me heb ik vier landen die met elkaar om aandacht wedijveren.
Wat mijn loyaliteiten betreft, die zijn afhankelijk van de omstandigheden -
in juli 2004, bijvoorbeeld, toen het Griekse nationale voetbalteam
onverwacht Europees kampioen werd, voelde ik mijn banden met Hellas
aan mijn hart trekken.
In een notendop: ik ben geboren in Boekarest, als dochter van een
Roemeense moeder en een Griekse vader. Toen ik zes maanden oud was,
zijn mijn ouders erin geslaagd dat land te verlaten om te voorkomen dat de
communisten mijn vader in de gevangenis zouden stoppen. Nadat ze vier
moeizame jaren hadden weten te overleven in Griekenland, waar de
burgeroorlog nog maar kort geleden was beëindigd, waren ze in staat om
naar Amerika te emigreren, waar ik ben opgegroeid en waar ik mijn
opleiding heb genoten.
Ik zou nog even terug willen komen op een bepaalde samenloop van
omstandigheden - die jij, wat betreft jouw komst op deze aarde, het Lot zou kunnen
noemen - die ervoor hebben gezorgd dat jouw vader naar Roemenië is gekomen.
Waarom juist naar Roemenië? Waarom niet naar Frankrijk of Duitsland of, zoals
talloze mensen in die tijd, rechtstreeks naar Amerika?
De dood van mijn grootvader had ernstige gevolgen voor de familie,
zowel financieel als sociaal. In 1930 vertrok mijn vader naar Roemenië,
met $20 op zak, om daar zijn fortuin te zoeken. In tegenstelling tot hoe
veel mensen Roemenië vandaag de dag zien, gold dat land in die jaren als
een soort Amerika voor het oostelijk deel van Europa, en er waren veel
mensen die, net als mijn vader, naar Roemenië gingen vanwege de
economische mogelijkheden die het bood. Voor mijn vader speelde ook
een rol dat hij Aroemeens was en dus een taal sprak die nauw verwant is
aan het Roemeens.
Hij ontmoette mijn moeder in 1940, aan het begin van de Tweede
Wereldoorlog. Ze trouwden in 1944, terwijl de Amerikanen Boekarest
bombardeerden.
Het einde van de oorlog bracht de komst van het Rode Leger en het
instellen van de communistische heerschappij met zich mee. Voor mijn
vader betekende dit dat het bedrijf dat hij in Roemenië had opgezet werd
genationaliseerd. Hij werd tot vijand van het volk verklaard en wist
ternauwernood aan gevangenschap te ontkomen.
In 1951 werd ik geboren, zeven jaar nadat mijn ouders waren getrouwd -
ze dachten al dat ze geen kinderen konden krijgen. Rond die tijd had mijn
vader besloten dat hij Roemenië moest verlaten. Omdat hij geen geldig
Grieks paspoort meer had, gebruikte hij een inlijvingsdocument, waaruit
bleek dat hij in het Griekse leger had gediend, om te bewijzen dat hij
Grieks staatsburger was. Dit werd geaccepteerd en in augustus van dat jaar
vertrokken we, met een laissez-passer dat goed was voor een enkele uitreis
uit Roemenië en zonder het recht op terugkeer, vanuit Constanþa aan
boord van een vrachtschip dat graan naar Griekenland vervoerde.
Griekenland verkeerde op dat moment zelf in een moeilijke situatie, want
het land was tijdens de oorlog bezet geweest door de Duitsers en direct
daarna was er een burgeroorlog uitgebroken. Wij arriveerden in de nasleep
van deze burgeroorlog en zijn gebleven tot 1955, toen we de kans kregen
naar Amerika te emigreren.
Vertel eens iets over jezelf - over de doorslaggevende momenten in je leven die je
hebben gemaakt tot wie je bent.
Toen ik de leeftijd van 26 bereikte, was het mijn beurt om de wijde wereld
in te trekken en mijn fortuin te zoeken. Ik volgde in de voetstappen van
mijn vader, maar dan in omgekeerde richting, met $1000 in mijn zak, en
vertrok uit Amerika naar Europa. Mijn plannen, die aanvankelijk nogal
vaag waren, hielden in dat ik uiteindelijk naar Roemenië wilde gaan om
mijn geboorteland te zien. Mijn eerste stopplaats was Barcelona, waar ik
een jaar ben gebleven en in mijn levensonderhoud voorzag met het geven
van Engelse les. Dit was in 1977, een jaar na de dood van generalissimo
Francisco Franco, en ik had zo de kans om persoonlijk te ervaren wat het
betekende om te leven in een land dat net een periode van veertig jaar
dictatuur achter zich had gelaten. Het was een tijd van euforie. De
geestdrift was vaak aanstekelijk, want mensen kwamen spontaan bijeen en
begonnen op straat te dansen en te demonstreren om hun pas ontdekte
vrijheid te vieren.
Terwijl ik daar was (soms is het leven even vreemd als fictie), ontdekte ik
dat ik een oom, een vaag familielid van moederskant, in Madrid had
wonen. Hij bracht mij in contact met de Roemeense ambassade en hielp
me om een studiebeurs voor Boekarest te bemachtigen.
Zo kwam je dus, net als je vader bijna een halve eeuw eerder, in Roemenië terecht.
Hoe was jouw geestelijke 'herontmoeting' op een generatie afstand met je
herkomstland, in de welbekende politiek-historische omstandigheden van die jaren?
Voor mij was Roemenië een openbaring, een land in een tijdcapsule,
tegelijkertijd vertrouwd en vreemd. Het was alsof ik was terechtgekomen in
een land waarin de tijd had stilgestaan; met een manier van leven die was
verdwenen in het Westen maar die hier bewaard was gebleven, in het
isolement dat door het IJzeren Gordijn was veroorzaakt. De mensen om
me heen spraken een taal die ik perfect kon verstaan maar die ik opnieuw
moest leren te gebruiken. Ze hadden nog een soort wellevendheid van de
Oude Wereld, een welgemanierdheid, een geweldige gastvrijheid (ondanks
de economische problemen). Het communisme had gefungeerd als een
deken, een mist, zo je wilt, die over een andere wereld was gelegd, een
wereld waarin mensen hun echte leven leidden. In deze wereld ontdekte ik
overblijfselen van een vroegere wereld - de wereld van mijn ouders.
Natuurlijk waren er nog vrienden en familieleden, mensen van hun
generatie, die zich hen herinnerden en spraken over vroeger tijden. Maar
het was meer dan dat - het oude stadscentrum van Boekarest, het weinige
verkeer, voetgangers die het straatbeeld domineerden. De terrasjes waar je
met vrienden kon zitten voor een portie mititei en bier, de restaurants met
orkestjes die oude romanţe ten gehore brachten.
Lange tijd nadat ik daar was weggegaan, bleef het politieke systeem, de
totalitaire aspecten van de Roemeense realiteit, door mijn gedachten
spoken: de beknotting van de vrijheid van de mensen, de propaganda, het
gebrek aan informatie en aan contact met de buitenwereld, de
economische tegenspoed, het gebrek aan moderne voorzieningen,
enzovoort. Die dingen intimideerden me. Het leven in Roemenië was
volkomen verschillend van het leven dat ik in Amerika had gekend - of in
Spanje, wat dat betreft. Maar later kwamen andere dingen aan de
oppervlakte: er was het mysterie, de beschavingsniveaus die onder het
oppervlak lagen, de bewijzen van een oudere wereld. Het is dit contact met
het verleden dat me het meest is bijgebleven, deze aandrang om onder de
oppervlakte te kijken - de aandrang van de archeoloog die ik nooit ben
geworden. Ik kan zeggen dat het jaar dat ik toen in Roemenië heb
doorgebracht, de meest ingrijpende ervaring van mijn leven tot nu toe is
geweest.
En hoe ben je dan in Nederland terechtgekomen?
In Boekarest leerde ik mijn man, Jan Willem Bos, kennen, die daar was
met een studiebeurs om te werken aan zijn afstudeerscriptie over
Roemeense literatuur. We zijn samen naar Amsterdam gekomen, waar we
een jaar zijn gebleven, en zijn toen doorgereisd naar de Verenigde Staten.
Twee jaar daarna zijn we teruggegaan naar Roemenië, waar Jan Willem
Nederlands heeft gegeven aan de Universiteit van Boekarest. In die tijd
werd ook onze dochter geboren. De periode van ons tweede verblijf was
eerder zwaar dan interessant, omdat het land om ons heen ineenstortte als
gevolg van het beleid van Ceausescu. Uiteindelijk zijn we in 1984
teruggekeerd naar Nederland, waar we sindsdien wonen en werken.
Na die odyssee ben je aangeland op een veilige plaats, waar je je hebt gevestigd, een
huis en een gezin hebt gesticht en een boek hebt geschreven. Dat boek houd ik nu in
handen. Het is het resultaat van vele jaren van overpeinzingen, van zoeken, van een
voorbeeldige volharding. Het is, als iedere oorspronkelijke creatieve daad, ook een
magische daad! Hoe zie je nu, met het eindresultaat op tafel, de afronding van je
inspanningen? Hoe heb je de ervaringen die je hebt opgedaan, de emoties van het
verleden, erin verweven?
Ik weet nog dat ik als kind erg onder de indruk was van het feit dat mijn
vader was geboren in het Osmaanse Rijk, als onderdaan van de Turkse
sultan. Een tijdlang was dit mijn enige contact met de Osmaanse wereld,
en de welbekende clichés: de legendarische wreedheid van de Turkse
overheersers die vijfhonderd jaar in de weg hadden gestaan van
vooruitgang en die het volk onderdrukten. Op een persoonlijk niveau
waren er andere clichés die de eerste leken tegen te spreken. Wanneer een
Turk eenmaal je vriend was, heeft mijn vader meer dan eens gezegd, dan
was hij een vriend voor het leven. Een Turkse vriend zou je nooit
bedriegen of oplichten. Mijn vader sprak dikwijls over een bei, een
Osmaanse edelman, die zaken had gedaan met mijn grootvader en een
uiterst eerbare en loyale man was geweest. Na de moord op mijn
grootvader bracht deze Turkse bei verscheidene zakken met meel en andere
levensmiddelen naar het huis van mijn grootmoeder en hij vertelde haar
dat hij diep getroffen was door de dood van zijn vriend.
Ik heb al gezegd dat mijn vaders familie behoort tot een kleine
bevolkingsgroep die bekend staat als de Vlachen of Aroemenen, die net als
de Grieken tot de orthodoxe Kerk behoren maar een Romaans dialect
spreken. Daarmee zijn we beland in die complexe, gecompliceerde wereld
van de Balkan, of beter gezegd: van de etnische cocktail die Macedonië
was. Volgens zeggen sprak mijn overgrootmoeder, die niet kon lezen en
schrijven, Albanees, Bulgaars, Turks en een mondje Grieks, naast haar
moedertaal, het Aroemeens.
In de loop der jaren raakte ik steeds meer geboeid door deze veeltalige,
multiculturele wereld die het Osmaanse Rijk was. Het is vreemd als je je
bedenkt dat het Osmaanse Rijk minder dan een eeuw geleden nog
grotendeels intact was. Het is wel zo dat Griekenland en Servië zich ervan
los hadden gemaakt en dat de Roemeense vorstendommen niet langer
Turkse vazalstaten waren, maar Thracië, Macedonië en het tegenwoordige
Albanië waren Osmaanse provincies. Het Midden-Oosten maakte in zijn
geheel deel uit van het rijk. Afgezien van Turkije zelf omvatte dat het
huidige Irak, Syrië, Israël, de Palestijnse gebieden, Libanon en Jordanië;
Egypte erkende officieel ook nog de soevereiniteit van de sultan en Libië
was ook Osmaans.
Nu begrijp ik waarom je Constantinopel hebt gekozen als achtergrond voor je
verhaal...
Zeker. Het was het hart van het rijk- de hoofdstad en de belangrijkste stad.
Bij de inwoners van het Osmaanse rijk stond Constantinopel, het
tegenwoordige Istanbul, eenvoudigweg bekend als 'De Stad'. (Volgens
taalkundigen is de naam 'Istanbul' ook afgeleid van het Griekse Eis tan
poli, wat 'Naar de stad' betekent.) En het is bijna 2000 jaar een hoofdstad
geweest - van twee rijken, het Byzantijnse en het Osmaanse Rijk. Maar
bovenal was het al honderden jaren een multi-etnische en multiculturele
stad. Ik vroeg me af hoe het moest zijn geweest om in zo'n oude, rijk
geschakeerde plaats te wonen. Het hele rijk was een mengeling van
culturen en talen. Constantinopel was een microkosmos, het rijk in
miniatuur.
1908 was het jaar van de revolutie van de Jonge Turken - die volgens mij
een keerpunt was in de Osmaanse geschiedenis, want hoewel het doel van
de revolutie was om het rijk te redden door het te moderniseren, droeg ze
het zaad van zijn ondergang in zich. Veel elementen (onvrede met de
manier waarop het rijk werd bestuurd, armoede, ongelijkheid,
nationalistische ambities, autocratie, westerse bemoeienis met
binnenlandse aangelegenheden, enzovoort) werkten samen om die
ondergang te bewerkstelligen, maar de revolutie op zich gaf het moment
aan waarop het rijk zijn samenhang begon te verliezen - toen de tradities
waarop het was gegrondvest bewust opzij werden gezet om ruimte te
maken voor een maatschappij gebaseerd op een westers rechtsstelsel. Ik
wilde dit moment benutten, mijn personages onderdompelen in deze
tegenstrijdige wereld, hun opvattingen onderzoeken, hun reacties op wat
er rondom hen gebeurde volgen en zien hoe dit hun persoonlijke levens en
relaties beïnvloedde.
Jouw roman begint in een woning in de Griekse wijk van Constantinopel en eindigt
op het dek van een schip dat via de Bosporus naar de Zwarte Zee en Roemenië
vertrekt. Jouw personages wandelen door de straten en over de markten van de
Osmaanse hoofdstad, gaan naar koffiehuizen, naar het bal of nemen deel aan de
revolutie, sommigen van hen klauteren over bergpaden op zoek naar verborgen
schatten bij een archeologische opgraving, uit intellectuele passie of uit hebzucht.De
lezer volgt hen geboeid en wordt daarbij in feite gemanipuleerd door de auteur.
Maar wat zijn jouw eigen gevoelens ten aanzien van je helden; identificeer jij je met
een of meer van hen? Misschien met Theodora, het meisje dat wordt onderworpen
aan een ware overgangsrite van dagdromende puber tot volwassen vrouw? Of
wellicht met de Amerikaan Townsend, geobsedeerd door zijn innerlijke visie van een
ingebeeld Byzantium/Istanbul?
Dat is een moeilijke vraag. Een schrijver moet in het hoofd van al haar
personages kruipen, om hen en hun beweegredenen te begrijpen, hun doen
en laten te volgen. Dat betekent natuurlijk niet dat ze zich met ieder van
hen identificeert. Ik denk dat het personage dat mij het naast aan het hart
ligt Theodora is, het meisje rondom wie het verhaal zich afspeelt. Ze is
vaaglijk gebaseerd op mijzelf, maar een veel jongere ik, die de wereld nog
moet ontdekken. Ze is zeker niet mijn alter ego. Een ander personage zou
de Amerikaan John Townsend kunnen zijn, een man op zoek naar iets dat
zijn leven zin kan geven. Maar ik denk dat hij meer een dromer is dan ik
ooit ben geweest. Elizabeth, Theodora's moeder, heeft ook iets van mij in
zich, in de zin dat ze als Roemeense niet in haar eigen land woont maar in
dat van haar man en zich niet altijd op haar gemak voelt in zijn wereld.
Waarschijnlijk heb ik bij mijn inspanningen om mijn personages te
beschrijven, onwillekeurig iets van mezelf in ieder van hen achtergelaten.
Het motto dat aan het begin van de roman staat: 'We wake from one dream into
another dream' (We ontwaken uit een droom in een andere droom), een citaat van
Emerson, waarschuwt ons van begin af aan dat City of Man's Desire, in de vorm
van een verhalend fresco als Tolstojs Oorlog en vrede, een meditatie over de
Geschiedenis is, waarboven de vluchtige schaduw hangt van alles wat vergankelijk
is. Niets is zoals het lijkt: Constantinopel is niet een onverwoestbare vreedzame
metropool en ook de personages blijken vaak illusies na te jagen. Maar het boek
komt ook mij over als een Bildungsroman zoals bijvoorbeeld Goethes Wilhelm
Meisters Lehrjahre, in de loop waarvan de helden door een reeks beproevingen,
mislukkingen of successen veranderen en een nieuwe trede in hun leven bereiken, een
nieuw vertrekpunt. Maar afgezien van de klassieke prototypes (Tolstoj, Goethe...)
waar ik aan moest denken bij het lezen van jouw boek, zou ik je ook willen vragen
hoe jij jouw boek ziet binnen de hedendaagse Amerikaanse literatuur. Past jouw
roman binnen de Amerikaanse immigrantenliteratuur?
Er zijn veel romans geschreven door en over Amerikanen met een
verschillende etnische afkomst, zoals The Joy-Luck Club van de
Chinees-Amerikaanse Amy Tan en Middlesex van de Grieks-Amerikaanse
Jeffrey Eugenides. Ik denk dat de meeste van deze boeken gaan over
aanpassing: over pogingen om de Nieuwe Wereld en de Oude te
verzoenen. Ik raak ook aan problemen die voortkomen uit de confrontatie
tussen Oost en West, maar ik leg daarbij geen specifiek verband met
Amerika. Ik ben geboeid geraakt door de westerse invloed op een oosterse
cultuur. Dit is een probleem dat hier en daar in de roman ter sprake komt -
meer wat betreft westerse houdingen ten opzichte van het Oosten en de
pogingen van een traditionele cultuur om zich aan te passen aan westerse
vormen. In de mate waarin ik mij bezighoud met de manieren waarop
mensen botsende wereldbeelden proberen te verzoenen, pas ik wel binnen
het genre van de Amerikaanse immigrantenliteratuur.
Jouw roman doet me denken aan de film America, America van Elia Kazan, die
zich ook afspeelt in het Osmaanse Rijk.
Ik denk dat er een fundamenteel verschil bestaat tussen mijn boek en die
film. Hoewel de film zich hoofdzakelijk in Turkije afspeelt, met name in
Istanbul, is de blik ervan duidelijk gericht op Amerika - het land van de
hoop, van de vrijheid, van mogelijkheden. De held weet uiteindelijk zijn
hoogste doel te verwezenlijken en Amerika te bereiken – en zijn hoge
verwachtingen worden bewaarheid.
Mijn visie – zo niet per se die van mijn roman, maar in ieder geval wel die
van mijn leven – vertoont meer overeenkomsten met die van de Griekse
regisseur Theo Angelopoulos in zijn film De blik van Odysseus. Dit is een
film over een man, een Griek, die naar Amerika is geëmigreerd en
terugkeert naar Europa, naar Noord-Griekenland - om precies te zijn naar
Macedonië. Hij begint een reis om een wereld te herontdekken die rond
het begin van de twintigste eeuw ten einde is gekomen, de wereld van de
Balkan, toen deze nog intact was, voordat hij uit elkaar werd gerukt door
oorlog en haat en nationale ambities. Deze wereld achtervolgt hem. In de
loop van zijn zoektocht herleeft hij zijn eigen verleden. Zijn reis voert hem
door het hele Balkanschiereiland, door Albanië, door het door de oorlog
verwoeste Joegoslavië, en helemaal naar Roemenië, waar zijn Griekse
familie zich had gevestigd en waar ze tot na de Tweede Wereldoorlog
hebben gewoond. Ze vertrekken rond 1950, dezelfde tijd als mijn eigen
familie. Om een of andere reden houdt deze wereld mij ook in zijn greep.
En misschien ben ik in zekere zin nog stoutmoediger geweest dan
Angelopoulos – ik heb geprobeerd hem opnieuw tot leven te wekken.
In die zin, en om een indruk te geven van de manier waarop jij, als een directe
beleving, een moment en een sfeer schept, wil ik een passage uit hoofdstuk 38
aanhalen - niet het heldere beeld van de zonovergoten metropool van het
openingshoofdstuk, maar het beeld van een sluimerende stad bij dageraad, die in
zijn slaap een voorgevoel heeft van de gevaren van de aanbrekende dag, belaagd
door nog een leger, nog een invasie: 'Vóór de dageraad spreidde de mist zich
uit over de stad. Hij rolde stroomafwaarts langs de Bosporus en stroomde
over het kalme water van de Gouden Hoorn. Hij vermengde zich met de
stilte van het tijdstip en daalde neer over lege straten en donkere huizen.
Over stenen muren, verstolen binnenplaatsen en tuinen. Over fonteinen.
Over moskeeën, kerken, synagogen. Over uitstekende rotswanden en
vergeten valleien, over begraafplaatsen en braakliggende velden. Over
zwerfhonden en bedelaars, over krotten en herenhuizen. Over trotse
monumenten en deerniswekkende ruïnes. Over het verleden en het heden.
Hij spreidde zichzelf gelijkmatig uit en vulde alle hoeken en gaten met zijn
troostende onbeweeglijkheid, zonder iemand te begunstigen, zonder
iemand te negeren. Hij verhulde de stad zoals hij altijd had gedaan,
beschutte hem terwijl hij langzaam tot leven kwam na een nacht van
dromen en nachtmerries, en gunde hem de tijd om te herleven en de
uitdaging van een nieuwe dag te aanvaarden.'
Uit: Roemenië Bulletin nr. 4 (58), augustus 2004
|
 |
 |