NL UK
Home Boeken Contact
 

Boeken - Gedichten - Recensie


De Blandiana-stem
– door Sorin Alexandrescu

Iedere keer dat ik Ana Blandiana in het openbaar mocht horen spreken – of het een politiek statement was op het universiteitsplein in Boekarest, in 1990, of een voordracht uit eigen poëzie in Berlijn, in 1991, en later – verwonderde ik mij over de muzikaliteit van haar stem: zij sprak, of las voor, alsof zij zong, met een puurheid van toon, met die eenvoudige woorden die je toch zo direct aanspraken, een duidelijk ritme volgend en opbouwend in haar zinnen naar een climax toe, dat het erop leek dat zij op dat moment iets heel diepzinnigs aan het openbaren was, of zij in trance bezig was het kwaad van de wereld te bezweren; een onvergetelijk optreden, tussen dat van een priesteres en dat van een operazangeres in, dat naadloos aansloot bij de inhoud van haar gedichten.
Helaas ontbreekt de fysieke stem van Ana Blandiana – hoe anders – in de recente bloemlezing die Jan Willem Bos uitbrengt, maar haar poëtische stem is er gelukkig wel in te horen. De muzikale eenvoud van haar gedichten straalt van elke pagina. Opmerkelijk is ook dat deze ‘Blandiana-stem’, die zo bijzonder klinkt in de Roemeense poëzie van de laatste decennia, de juiste toon heeft gevonden sinds haar debuut in Eerste persoon meervoud (1964) en deze niet meer veranderd heeft tot Honderd gedichten (1991), voorlopig haar laatste bundel. Iets jonger dan Nichita Stănescu, Leonid Dimov, Marin Sorescu of Mircea Ivănescu, maakt zij toch deel uit van hun ‘generatie van de zestigers’, de dichters (en schrijvers) die rondom 1960 debuteerden en toen een ‘echte’ poëzie en proza begonnen te schrijven, naar de (sociale en innerlijke) waarheid toe, die voorgoed met de communistische kitsch van eerder brak. Toch waren toen al haar gedichten, vol hartelijke ernst en gepassioneerde betrokkenheid, geheel anders dan de ironie van Sorescu, de dromerige weelderigheid van Dimov, de abstracte reflectie van Stănescu of de introversie van Ivănescu.
Met de tijd, en vooral in de vreselijke jaren tachtig onder Ceauşescu, werd haar poëzie weliswaar bitterder, maar haar thema’s en toon zijn in wezen dezelfde gebleven. De selectie van Jan Willem Bos, die enigszins geïnspireerd lijkt te zijn door de omvangrijkere bloemlezing În dimineaţa de după moarte (Op de ochtend na de dood, Boekarest, Du Style, 1996), benadrukt deze continuïteit terecht. Veel gedichten van vroeger ‘rijmen’ met die van de laatste bundels, maar ook met verhalen van Kopie van een nachtmerrie (Van Gennep, 1992, eveneens door Jan Willem Bos vertaald). ‘Reis’ (1969) is kenmerkend voor Blandiana’s gehele oeuvre: ‘Ik loop door mezelf/ Als door een vreemde stad/ Waar ik niemand ken’. ‘Er zal een tijd komen’ (1966) – ‘... er zal een tijd komen/ Dat ik ... / gedwongen zal zijn te erkennen/ Dat het hele universum/ Het recht heeft van belang te zijn/ Maar laat me nu alleen met mezelf’ loopt als het ware vooruit op ‘Dies ille, Dies irae’ (1990, doch duidelijk eerder geschreven) – ‘Hij zal komen/ Het hangt in de lucht/ Hij kan niet meer op zich laten wachten/ Twijfel niet, hij zal komen/ Die dag/ Verblindend als een zwaard,/ Trillend in het licht’ – maar geeft ook de twee dimensies van deze poëzie aan, de innerlijkheid en de betrokkenheid (voor biografische en politieke aspecten van Blandiana’s werk verwijs ik naar het nawoord van de vertaler). Ook gedichten van 1977, zoals ‘Kerken hebben geen daken’ kan men in het verlengde lezen van een verhaal als ‘Op het platteland’ (in Kopie van een nachtmerrie), waar de kerk van een verlaten dorp ineens door vogels de hemel in wordt gedragen. Een manier van zeggen dat het geloof, de fantasie, de poëzie het altijd zal winnen van het (toen vernederende) dagelijkse leven.

uit: Roemenië Bulletin nr. 1 (25), februari 1999




Contactgegevens

Go-Bos Press
Brederode 24
2352 JR Leiderdorp
Nederland

    + 31 71 5894998
     info@gobospress.nl

KvK nummer: 2807621