Gesprek met een schrijfster: Cornelia Golna, of: De geboorte van een roman

– door Liliana Alexandrescu

 

Mijn vriendschap met Cornelia Golna begon op dezelfde dag dat we elkaar, in 1979, leerden kennen. Van de vele keren dat we elkaar hebben ontmoet, is er een beeld dat me nog altijd helder voor de geest staat. Op een zonnige zondagmiddag wandelden we door het Vondelpark, hartje Amsterdam, achter de kinderwagen waarin haar dochter Laura zat. In het milde zonlicht (was het lente of najaar?) gingen we op een terrasje een kopje thee drinken. Toen vertelde ze me voor het eerst over haar grootvader, die om onopgehelderde politieke redenen in 1908 was vermoord in een bos aan de rand van een stad in Macedonië. Daarna ontwarde ze voor mij de kluwen van haar familiegeschiedenis, met personages in vreemde uitmonstering, half Europees, half oosters, met vuursteengeweren en fezzen, met broederlijke vriendschappen en onverzettelijke vijanden, met verhalen van liefde en wraak, die zich afspeelden in geïsoleerde bergdorpen of in het bonte gekrioel van Constantinopel, de hoofdstad van de lappendeken die het Osmaanse Rijk was... Nu, jaren later, is haar eigen fascinatie met deze veelzijdige wereld uitgemond in een - Engelstalige - roman, City of Man's Desire, reden om over de ontstaansgeschiedenis daarvan met haar van gedachten te wisselen.

 

Liliana Alexandrescu: Het ontstaan van City of Man's Desire was voor mij een lange en boeiende reis door de 'duizend-en-één-nachten' van het ontstaan van jouw roman, waarbij jij bent opgetreden als mijn gids en mijn persoonlijke Sherezade...

Cornelia Golna: Ik zou mezelf nooit hebben beschreven als een Sherezade, en evenmin mijn roman als een verhaal uit Duizend-en-één nacht, hoewel hij wel enkele fantastische elementen bevat en ergens aan het bovennatuurlijke raakt. De inspiratie voor mijn roman, City of Man's Desire, is echter stevig geworteld in de geschiedenis. Van begin af aan is het mijn ambitie geweest om de wereld waarin mijn vader is geboren weer tot leven te roepen. Ik ben altijd gefascineerd geweest door de gedachte dat hij was geboren in het Osmaanse Rijk, een wereld van verschillende godsdiensten en nationaliteiten.

 

Ja, het lijkt zo lang geleden, maar toch maakt het deel uit van de recente geschiedenis... minder dan honderd jaar geleden. De gebeurtenissen die toen hebben plaatsgevonden, spelen zelfs heden ten dagen nog een rol, en niet alleen in het desbetreffende gebied. In welk deel van het rijk is jouw vader geboren?

Mijn vader is geboren in de Osmaanse provincie Macedonië, waarvan een deel nu Grieks Macedonië is, een deel in Bulgarije ligt en een deel de ex-Joegoslavische republiek Macedonië vormt. Tussen haakjes: op het internet heb ik een site gevonden met een lijst van de mensen die vanaf het begin van de twintigste eeuw in Amerika zijn geïmmigreerd. Een van hen was mijn oom - de oudste broer van mijn vader - die als zijn geboorteplaats gaf: Neveska, Turkije. Tegenwoordig ligt dat dorp - dat nu Nymphaion is geheten - in Griekenland. Het geboortejaar van mijn vader was 1908. Je weet dat dit ook het jaar was waarin mijn grootvader werd vermoord in het kader van de 'Strijd om Macedonië', een soort guerrillaoorlog die de verschillende etnische en religieuze groeperingen voerden tegen hun Turkse overheersers en tegen elkaar. De dood van mijn grootvader is altijd in mysterie gehuld gebleven. Mijn vader heeft nooit weten te achterhalen waarom hij is vermoord en evenmin wie erachter zat, en ik weet ook het fijne er niet van. Hoewel mijn vader en grootvader niet echt voorkomen in het boek, zijn zij mijn inspiratiebron geweest om het te schrijven.

 

Dit vraaggesprek verschijnt in het Nederlands, jouw roman is geschreven in het Engels, en wij hebben, vanaf het allereerste moment dat we elkaar hebben leren kennen, Roemeens met elkaar gesproken. Op die manier hebben we spontaan een persoonlijk taalkundig terrein geschapen, die een weerspiegeling is van onze gedeelde herkomst. Hoewel we allebei in Nederland wonen, in een culturele omgeving die afwijkt van de omgeving waarin we zijn opgegroeid, hebben we een eigen geschiedenis die regelmatig aan de oppervlakte komt. Hoe sta jij binnen dat veeltalige mozaïek? Who are you?

Mijn achtergrond komt altijd als iets interessants over op mensen. Of misschien als iets vreemds. Ik moet zeggen dat ik meer Amerikaanse ben dan iets anders, omdat ik in de Verenigde Staten ben opgegroeid. Maar binnen in me heb ik vier landen die met elkaar om aandacht wedijveren. Wat mijn loyaliteiten betreft, die zijn afhankelijk van de omstandigheden - in juli 2004, bijvoorbeeld, toen het Griekse nationale voetbalteam onverwacht Europees kampioen werd, voelde ik mijn banden met Hellas aan mijn hart trekken. In een notendop: ik ben geboren in Boekarest, als dochter van een Roemeense moeder en een Griekse vader. Toen ik zes maanden oud was, zijn mijn ouders erin geslaagd dat land te verlaten om te voorkomen dat de communisten mijn vader in de gevangenis zouden stoppen. Nadat ze vier moeizame jaren hadden weten te overleven in Griekenland, waar de burgeroorlog nog maar kort geleden was beëindigd, waren ze in staat om naar Amerika te emigreren, waar ik ben opgegroeid en waar ik mijn opleiding heb genoten.

 

Ik zou nog even terug willen komen op een bepaalde samenloop van omstandigheden - die jij, wat betreft jouw komst op deze aarde, het Lot zou kunnen noemen - die ervoor hebben gezorgd dat jouw vader naar Roemenië is gekomen. Waarom juist naar Roemenië? Waarom niet naar Frankrijk of Duitsland of, zoals talloze mensen in die tijd, rechtstreeks naar Amerika?

De dood van mijn grootvader had ernstige gevolgen voor de familie, zowel financieel als sociaal. In 1930 vertrok mijn vader naar Roemenië, met $20 op zak, om daar zijn fortuin te zoeken. In tegenstelling tot hoe veel mensen Roemenië vandaag de dag zien, gold dat land in die jaren als een soort Amerika voor het oostelijk deel van Europa, en er waren veel mensen die, net als mijn vader, naar Roemenië gingen vanwege de economische mogelijkheden die het bood. Voor mijn vader speelde ook een rol dat hij Aroemeens was en dus een taal sprak die nauw verwant is aan het Roemeens. Hij ontmoette mijn moeder in 1940, aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. Ze trouwden in 1944, terwijl de Amerikanen Boekarest bombardeerden. Het einde van de oorlog bracht de komst van het Rode Leger en het instellen van de communistische heerschappij met zich mee. Voor mijn vader betekende dit dat het bedrijf dat hij in Roemenië had opgezet werd genationaliseerd. Hij werd tot vijand van het volk verklaard en wist ternauwernood aan gevangenschap te ontkomen. In 1951 werd ik geboren, zeven jaar nadat mijn ouders waren getrouwd - ze dachten al dat ze geen kinderen konden krijgen. Rond die tijd had mijn vader besloten dat hij Roemenië moest verlaten. Omdat hij geen geldig Grieks paspoort meer had, gebruikte hij een inlijvingsdocument, waaruit bleek dat hij in het Griekse leger had gediend, om te bewijzen dat hij Grieks staatsburger was. Dit werd geaccepteerd en in augustus van dat jaar vertrokken we, met een laissez-passer dat goed was voor een enkele uitreis uit Roemenië en zonder het recht op terugkeer, vanuit Constanþa aan boord van een vrachtschip dat graan naar Griekenland vervoerde. Griekenland verkeerde op dat moment zelf in een moeilijke situatie, want het land was tijdens de oorlog bezet geweest door de Duitsers en direct daarna was er een burgeroorlog uitgebroken. Wij arriveerden in de nasleep van deze burgeroorlog en zijn gebleven tot 1955, toen we de kans kregen naar Amerika te emigreren.

 

Vertel eens iets over jezelf - over de doorslaggevende momenten in je leven die je hebben gemaakt tot wie je bent.

Toen ik de leeftijd van 26 bereikte, was het mijn beurt om de wijde wereld in te trekken en mijn fortuin te zoeken. Ik volgde in de voetstappen van mijn vader, maar dan in omgekeerde richting, met $1000 in mijn zak, en vertrok uit Amerika naar Europa. Mijn plannen, die aanvankelijk nogal vaag waren, hielden in dat ik uiteindelijk naar Roemenië wilde gaan om mijn geboorteland te zien. Mijn eerste stopplaats was Barcelona, waar ik een jaar ben gebleven en in mijn levensonderhoud voorzag met het geven van Engelse les. Dit was in 1977, een jaar na de dood van generalissimo Francisco Franco, en ik had zo de kans om persoonlijk te ervaren wat het betekende om te leven in een land dat net een periode van veertig jaar dictatuur achter zich had gelaten. Het was een tijd van euforie. De geestdrift was vaak aanstekelijk, want mensen kwamen spontaan bijeen en begonnen op straat te dansen en te demonstreren om hun pas ontdekte vrijheid te vieren.
Terwijl ik daar was (soms is het leven even vreemd als fictie), ontdekte ik dat ik een oom, een vaag familielid van moederskant, in Madrid had wonen. Hij bracht mij in contact met de Roemeense ambassade en hielp me om een studiebeurs voor Boekarest te bemachtigen.

 

Zo kwam je dus, net als je vader bijna een halve eeuw eerder, in Roemenië terecht. Hoe was jouw geestelijke 'herontmoeting' op een generatie afstand met je herkomstland, in de welbekende politiek-historische omstandigheden van die jaren?

Voor mij was Roemenië een openbaring, een land in een tijdcapsule, tegelijkertijd vertrouwd en vreemd. Het was alsof ik was terechtgekomen in een land waarin de tijd had stilgestaan; met een manier van leven die was verdwenen in het Westen maar die hier bewaard was gebleven, in het isolement dat door het IJzeren Gordijn was veroorzaakt. De mensen om me heen spraken een taal die ik perfect kon verstaan maar die ik opnieuw moest leren te gebruiken. Ze hadden nog een soort wellevendheid van de Oude Wereld, een welgemanierdheid, een geweldige gastvrijheid (ondanks de economische problemen). Het communisme had gefungeerd als een deken, een mist, zo je wilt, die over een andere wereld was gelegd, een wereld waarin mensen hun echte leven leidden. In deze wereld ontdekte ik overblijfselen van een vroegere wereld - de wereld van mijn ouders. Natuurlijk waren er nog vrienden en familieleden, mensen van hun generatie, die zich hen herinnerden en spraken over vroeger tijden. Maar het was meer dan dat - het oude stadscentrum van Boekarest, het weinige verkeer, voetgangers die het straatbeeld domineerden. De terrasjes waar je met vrienden kon zitten voor een portie mititei en bier, de restaurants met orkestjes die oude romanĊ£e ten gehore brachten. Lange tijd nadat ik daar was weggegaan, bleef het politieke systeem, de totalitaire aspecten van de Roemeense realiteit, door mijn gedachten spoken: de beknotting van de vrijheid van de mensen, de propaganda, het gebrek aan informatie en aan contact met de buitenwereld, de economische tegenspoed, het gebrek aan moderne voorzieningen, enzovoort. Die dingen intimideerden me. Het leven in Roemenië was volkomen verschillend van het leven dat ik in Amerika had gekend - of in Spanje, wat dat betreft. Maar later kwamen andere dingen aan de oppervlakte: er was het mysterie, de beschavingsniveaus die onder het oppervlak lagen, de bewijzen van een oudere wereld. Het is dit contact met het verleden dat me het meest is bijgebleven, deze aandrang om onder de oppervlakte te kijken - de aandrang van de archeoloog die ik nooit ben geworden. Ik kan zeggen dat het jaar dat ik toen in Roemenië heb doorgebracht, de meest ingrijpende ervaring van mijn leven tot nu toe is geweest.

 

En hoe ben je dan in Nederland terechtgekomen?

In Boekarest leerde ik mijn man, Jan Willem Bos, kennen, die daar was met een studiebeurs om te werken aan zijn afstudeerscriptie over Roemeense literatuur. We zijn samen naar Amsterdam gekomen, waar we een jaar zijn gebleven, en zijn toen doorgereisd naar de Verenigde Staten. Twee jaar daarna zijn we teruggegaan naar Roemenië, waar Jan Willem Nederlands heeft gegeven aan de Universiteit van Boekarest. In die tijd werd ook onze dochter geboren. De periode van ons tweede verblijf was eerder zwaar dan interessant, omdat het land om ons heen ineenstortte als gevolg van het beleid van Ceausescu. Uiteindelijk zijn we in 1984 teruggekeerd naar Nederland, waar we sindsdien wonen en werken.

 

Na die odyssee ben je aangeland op een veilige plaats, waar je je hebt gevestigd, een huis en een gezin hebt gesticht en een boek hebt geschreven. Dat boek houd ik nu in handen. Het is het resultaat van vele jaren van overpeinzingen, van zoeken, van een voorbeeldige volharding. Het is, als iedere oorspronkelijke creatieve daad, ook een magische daad! Hoe zie je nu, met het eindresultaat op tafel, de afronding van je inspanningen? Hoe heb je de ervaringen die je hebt opgedaan, de emoties van het verleden, erin verweven?

Ik weet nog dat ik als kind erg onder de indruk was van het feit dat mijn vader was geboren in het Osmaanse Rijk, als onderdaan van de Turkse sultan. Een tijdlang was dit mijn enige contact met de Osmaanse wereld, en de welbekende clichés: de legendarische wreedheid van de Turkse overheersers die vijfhonderd jaar in de weg hadden gestaan van vooruitgang en die het volk onderdrukten. Op een persoonlijk niveau waren er andere clichés die de eerste leken tegen te spreken. Wanneer een Turk eenmaal je vriend was, heeft mijn vader meer dan eens gezegd, dan was hij een vriend voor het leven. Een Turkse vriend zou je nooit bedriegen of oplichten. Mijn vader sprak dikwijls over een bei, een Osmaanse edelman, die zaken had gedaan met mijn grootvader en een uiterst eerbare en loyale man was geweest. Na de moord op mijn grootvader bracht deze Turkse bei verscheidene zakken met meel en andere levensmiddelen naar het huis van mijn grootmoeder en hij vertelde haar dat hij diep getroffen was door de dood van zijn vriend. Ik heb al gezegd dat mijn vaders familie behoort tot een kleine bevolkingsgroep die bekend staat als de Vlachen of Aroemenen, die net als de Grieken tot de orthodoxe Kerk behoren maar een Romaans dialect spreken. Daarmee zijn we beland in die complexe, gecompliceerde wereld van de Balkan, of beter gezegd: van de etnische cocktail die Macedonië was. Volgens zeggen sprak mijn overgrootmoeder, die niet kon lezen en schrijven, Albanees, Bulgaars, Turks en een mondje Grieks, naast haar moedertaal, het Aroemeens. In de loop der jaren raakte ik steeds meer geboeid door deze veeltalige, multiculturele wereld die het Osmaanse Rijk was. Het is vreemd als je je bedenkt dat het Osmaanse Rijk minder dan een eeuw geleden nog grotendeels intact was. Het is wel zo dat Griekenland en Servië zich ervan los hadden gemaakt en dat de Roemeense vorstendommen niet langer Turkse vazalstaten waren, maar Thracië, Macedonië en het tegenwoordige Albanië waren Osmaanse provincies. Het Midden-Oosten maakte in zijn geheel deel uit van het rijk. Afgezien van Turkije zelf omvatte dat het huidige Irak, Syrië, Israël, de Palestijnse gebieden, Libanon en Jordanië; Egypte erkende officieel ook nog de soevereiniteit van de sultan en Libië was ook Osmaans.

 

Nu begrijp ik waarom je Constantinopel hebt gekozen als achtergrond voor je verhaal...

Zeker. Het was het hart van het rijk- de hoofdstad en de belangrijkste stad. Bij de inwoners van het Osmaanse rijk stond Constantinopel, het tegenwoordige Istanbul, eenvoudigweg bekend als 'De Stad'. (Volgens taalkundigen is de naam 'Istanbul' ook afgeleid van het Griekse Eis tan poli, wat 'Naar de stad' betekent.) En het is bijna 2000 jaar een hoofdstad geweest - van twee rijken, het Byzantijnse en het Osmaanse Rijk. Maar bovenal was het al honderden jaren een multi-etnische en multiculturele stad. Ik vroeg me af hoe het moest zijn geweest om in zo'n oude, rijk geschakeerde plaats te wonen. Het hele rijk was een mengeling van culturen en talen. Constantinopel was een microkosmos, het rijk in miniatuur. 1908 was het jaar van de revolutie van de Jonge Turken - die volgens mij een keerpunt was in de Osmaanse geschiedenis, want hoewel het doel van de revolutie was om het rijk te redden door het te moderniseren, droeg ze het zaad van zijn ondergang in zich. Veel elementen (onvrede met de manier waarop het rijk werd bestuurd, armoede, ongelijkheid, nationalistische ambities, autocratie, westerse bemoeienis met binnenlandse aangelegenheden, enzovoort) werkten samen om die ondergang te bewerkstelligen, maar de revolutie op zich gaf het moment aan waarop het rijk zijn samenhang begon te verliezen - toen de tradities waarop het was gegrondvest bewust opzij werden gezet om ruimte te maken voor een maatschappij gebaseerd op een westers rechtsstelsel. Ik wilde dit moment benutten, mijn personages onderdompelen in deze tegenstrijdige wereld, hun opvattingen onderzoeken, hun reacties op wat er rondom hen gebeurde volgen en zien hoe dit hun persoonlijke levens en relaties beïnvloedde.

 

Jouw roman begint in een woning in de Griekse wijk van Constantinopel en eindigt op het dek van een schip dat via de Bosporus naar de Zwarte Zee en Roemenië vertrekt. Jouw personages wandelen door de straten en over de markten van de Osmaanse hoofdstad, gaan naar koffiehuizen, naar het bal of nemen deel aan de revolutie, sommigen van hen klauteren over bergpaden op zoek naar verborgen schatten bij een archeologische opgraving, uit intellectuele passie of uit hebzucht.De lezer volgt hen geboeid en wordt daarbij in feite gemanipuleerd door de auteur. Maar wat zijn jouw eigen gevoelens ten aanzien van je helden; identificeer jij je met een of meer van hen? Misschien met Theodora, het meisje dat wordt onderworpen aan een ware overgangsrite van dagdromende puber tot volwassen vrouw? Of wellicht met de Amerikaan Townsend, geobsedeerd door zijn innerlijke visie van een ingebeeld Byzantium/Istanbul?

Dat is een moeilijke vraag. Een schrijver moet in het hoofd van al haar personages kruipen, om hen en hun beweegredenen te begrijpen, hun doen en laten te volgen. Dat betekent natuurlijk niet dat ze zich met ieder van hen identificeert. Ik denk dat het personage dat mij het naast aan het hart ligt Theodora is, het meisje rondom wie het verhaal zich afspeelt. Ze is vaaglijk gebaseerd op mijzelf, maar een veel jongere ik, die de wereld nog moet ontdekken. Ze is zeker niet mijn alter ego. Een ander personage zou de Amerikaan John Townsend kunnen zijn, een man op zoek naar iets dat zijn leven zin kan geven. Maar ik denk dat hij meer een dromer is dan ik ooit ben geweest. Elizabeth, Theodora's moeder, heeft ook iets van mij in zich, in de zin dat ze als Roemeense niet in haar eigen land woont maar in dat van haar man en zich niet altijd op haar gemak voelt in zijn wereld. Waarschijnlijk heb ik bij mijn inspanningen om mijn personages te beschrijven, onwillekeurig iets van mezelf in ieder van hen achtergelaten.

 

Het motto dat aan het begin van de roman staat: 'We wake from one dream into another dream' (We ontwaken uit een droom in een andere droom), een citaat van Emerson, waarschuwt ons van begin af aan dat City of Man's Desire, in de vorm van een verhalend fresco als Tolstojs Oorlog en vrede, een meditatie over de Geschiedenis is, waarboven de vluchtige schaduw hangt van alles wat vergankelijk is. Niets is zoals het lijkt: Constantinopel is niet een onverwoestbare vreedzame metropool en ook de personages blijken vaak illusies na te jagen. Maar het boek komt ook mij over als een Bildungsroman zoals bijvoorbeeld Goethes Wilhelm Meisters Lehrjahre, in de loop waarvan de helden door een reeks beproevingen, mislukkingen of successen veranderen en een nieuwe trede in hun leven bereiken, een nieuw vertrekpunt. Maar afgezien van de klassieke prototypes (Tolstoj, Goethe...) waar ik aan moest denken bij het lezen van jouw boek, zou ik je ook willen vragen hoe jij jouw boek ziet binnen de hedendaagse Amerikaanse literatuur. Past jouw roman binnen de Amerikaanse immigrantenliteratuur?

Er zijn veel romans geschreven door en over Amerikanen met een verschillende etnische afkomst, zoals The Joy-Luck Club van de Chinees-Amerikaanse Amy Tan en Middlesex van de Grieks-Amerikaanse Jeffrey Eugenides. Ik denk dat de meeste van deze boeken gaan over aanpassing: over pogingen om de Nieuwe Wereld en de Oude te verzoenen. Ik raak ook aan problemen die voortkomen uit de confrontatie tussen Oost en West, maar ik leg daarbij geen specifiek verband met Amerika. Ik ben geboeid geraakt door de westerse invloed op een oosterse cultuur. Dit is een probleem dat hier en daar in de roman ter sprake komt - meer wat betreft westerse houdingen ten opzichte van het Oosten en de pogingen van een traditionele cultuur om zich aan te passen aan westerse vormen. In de mate waarin ik mij bezighoud met de manieren waarop mensen botsende wereldbeelden proberen te verzoenen, pas ik wel binnen het genre van de Amerikaanse immigrantenliteratuur.

 

Jouw roman doet me denken aan de film America, America van Elia Kazan, die zich ook afspeelt in het Osmaanse Rijk.

Ik denk dat er een fundamenteel verschil bestaat tussen mijn boek en die film. Hoewel de film zich hoofdzakelijk in Turkije afspeelt, met name in Istanbul, is de blik ervan duidelijk gericht op Amerika - het land van de hoop, van de vrijheid, van mogelijkheden. De held weet uiteindelijk zijn hoogste doel te verwezenlijken en Amerika te bereiken – en zijn hoge verwachtingen worden bewaarheid. Mijn visie – zo niet per se die van mijn roman, maar in ieder geval wel die van mijn leven – vertoont meer overeenkomsten met die van de Griekse regisseur Theo Angelopoulos in zijn film De blik van Odysseus. Dit is een film over een man, een Griek, die naar Amerika is geëmigreerd en terugkeert naar Europa, naar Noord-Griekenland - om precies te zijn naar Macedonië. Hij begint een reis om een wereld te herontdekken die rond het begin van de twintigste eeuw ten einde is gekomen, de wereld van de Balkan, toen deze nog intact was, voordat hij uit elkaar werd gerukt door oorlog en haat en nationale ambities. Deze wereld achtervolgt hem. In de loop van zijn zoektocht herleeft hij zijn eigen verleden. Zijn reis voert hem door het hele Balkanschiereiland, door Albanië, door het door de oorlog verwoeste Joegoslavië, en helemaal naar Roemenië, waar zijn Griekse familie zich had gevestigd en waar ze tot na de Tweede Wereldoorlog hebben gewoond. Ze vertrekken rond 1950, dezelfde tijd als mijn eigen familie. Om een of andere reden houdt deze wereld mij ook in zijn greep. En misschien ben ik in zekere zin nog stoutmoediger geweest dan Angelopoulos – ik heb geprobeerd hem opnieuw tot leven te wekken.

 

In die zin, en om een indruk te geven van de manier waarop jij, als een directe beleving, een moment en een sfeer schept, wil ik een passage uit hoofdstuk 38 aanhalen - niet het heldere beeld van de zonovergoten metropool van het openingshoofdstuk, maar het beeld van een sluimerende stad bij dageraad, die in zijn slaap een voorgevoel heeft van de gevaren van de aanbrekende dag, belaagd door nog een leger, nog een invasie: 'Vóór de dageraad spreidde de mist zich uit over de stad. Hij rolde stroomafwaarts langs de Bosporus en stroomde over het kalme water van de Gouden Hoorn. Hij vermengde zich met de stilte van het tijdstip en daalde neer over lege straten en donkere huizen. Over stenen muren, verstolen binnenplaatsen en tuinen. Over fonteinen. Over moskeeën, kerken, synagogen. Over uitstekende rotswanden en vergeten valleien, over begraafplaatsen en braakliggende velden. Over zwerfhonden en bedelaars, over krotten en herenhuizen. Over trotse monumenten en deerniswekkende ruïnes. Over het verleden en het heden. Hij spreidde zichzelf gelijkmatig uit en vulde alle hoeken en gaten met zijn troostende onbeweeglijkheid, zonder iemand te begunstigen, zonder iemand te negeren. Hij verhulde de stad zoals hij altijd had gedaan, beschutte hem terwijl hij langzaam tot leven kwam na een nacht van dromen en nachtmerries, en gunde hem de tijd om te herleven en de uitdaging van een nieuwe dag te aanvaarden.'

 

Uit: Roemenië Bulletin nr. 4 (58), augustus 2004